Hoe kan je ervoor zorgen dat je kind (of je leerling) zijn talenten optimaal ontplooit?

Heel wat ouders die bij ons komen zijn bezorgd dat hun kind te weinig of net te veel hobby’s heeft. Je wil als ouder je kind optimale ontwikkelingskansen bieden. Maar tot waar mag (of moet je zelfs) je kind stimuleren? Het ene kind zal bv vanuit faalangst of perfectionisme een duwtje in de rug nodig hebben. Als het afhaakt, zou dat zijn zelfvertrouwen nog meer ondermijnen. Maar bij het andere moet je zelf misschien net op de rem gaan staan omdat het teveel hooi op zijn vork neemt. Elk kind heeft wel eens rust nodig en moet zich ook eens gewoon kunnen vervelen (om dan zelf op zoek te kunnen gaan naar waar het zich wil mee bezighouden).

Het is een moeilijk evenwicht zoeken. En welke hobby’s genieten dan de voorkeur als je kind moeilijk kan kiezen? Je wil ook je eigen gemiste kansen niet gaan projecteren op je kind. Het is goed dat je je dochter wel op dansles wil laten gaan als je dat vroeger zelf niet mocht. Maar wat als ze na een tijdje afhaakt: is dat omdat het toch niet helemaal haar ding blijkt te zijn, of speelt er iets anders mee?

Misschien ben je bezorgd dat je zoon al heel vroeg maar met één hobby of soort speelgoed bezig is (bv een kind dat bijna uitsluitend met Lego speelt, of een jongen die al zijn vrije tijd besteed aan voetbal), of zeer beperkt is in zijn interesses (bv alleen maar met dinosaurussen bezig is) waardoor hij zo zeer in één richting gaat dat hij daarmee misschien zijn latere studie- of beroepsmogelijkheden al beperkt? En hoe zorg je vervolgens als ouder en als leerkracht dat een kind een juiste studiekeuze maakt? Wat doe je als het plots niet meer goed functioneert op school?

Om op al deze vragen te antwoorden, moet je eigenlijk eerst gaan definiëren wat je dan precies verstaat onder talenten?

Talenten in de klassieke betekenis handelen over de aanleg of begaafdheid om je een bepaalde vaardigheid, kennis of competentie eigen te maken – en om erin te kunnen excelleren op een zodanig niveau dat het boven dat van anderen uitsteekt. Voorbeelden zijn talent voor talen, voetbal, tennis, wiskunde, muziek,…

Dit zegt echter nog niets over hoe graag je daarmee bezig bent, met hoeveel goesting je dit doet. Iemand kan een bepaalde vaardigheid of competentie ontwikkeld hebben zonder dat deze hem echt positieve energie geeft, in een flow brengt.

‘KernTalenten’ daarentegen gaan over de daar nog onder liggende Aard, plus het Potentieel plus de Intrinsieke Motivatie die je nodig hebt om die talenten te ontwikkelen. KernTalenten liggen nog onder de laag van de klassieke talenten. Ze tonen hoe je oorspronkelijk in elkaar zit en hoe graag en of je bepaalde talenten wil ontwikkelen of vaardigheden verwerven. Hoe sterker een bepaald KernTalent, hoe groter iemands ‘goesting’ zal zijn om daaraan gekoppelde competenties, kwaliteiten en eigenschappen aan te leren en/of verder te ontwikkelen. Vaardigheden die niet door sterke KernTalenten worden gedragen, zijn stukken moeilijker aan te leren en halen zelden een beter dan gemiddeld niveau. De KernTalentenmethode is een zeer positieve benadering die je bij je ware passie breng. Dit voel je pas bij die activiteiten die al je sterke kerntalenten samenbundelen. Dat maakt bv het verschil tussen een goede leerkracht (de stof wordt beheerst) en een uitstekende leerkracht die ook op een boeiende manier vol passie en enthousiasme zijn vak kan overbrengen.

De KernTalentenmethode werd ontdekt door Daniëlle Krekels. De bepaling van iemands KernTalenten is gebaseerd op wat je als kind tussen de leeftijd van vier en twaalf jaar al dan niet leuk vond. Kinderen kiezen immers onbewust voor dat speelgoed, die spelletjes of deze activiteiten die bij hun persoonlijkheid passen. “Een kind wordt niet creatief door met Lego te spelen, maar speelt graag met Lego omdat het al creatief is.” En wat dan met kinderen die nauwelijks speelgoed hebben? Zij gebruiken eender welk ander materiaal (touw, takjes, steentjes,…), met andere woorden: alles wat in hun fantasie kan dienen om ‘iets te maken’, en dat leidt inhoudelijk naar hetzelfde KernTalent. 

Er zijn 23 bekende KernTalenten, maar geen ervan staat op zichzelf. Het is de combinatie van alle KernTalenten samen die een accuraat zicht geeft op iemands persoonlijkheid. Elk KernTalent wordt als ‘klein’, ‘half’ of ‘sterk’ gescoord en gecombineerd, en daarmee zijn er 94 miljard combinaties mogelijk. Waardoor deze methode dus niet voorbijgaat aan het feit dat elk mens uniek is en het bijna onmogelijk maakt dat twee mensen exact hetzelfde profiel zouden krijgen.

Het doel van de KernTalentenbenadering is dat mensen hun KernTalenten zouden kennen en er vol zelfvertrouwen mee aan de slag kunnen gaan. Energie stoppen in het uitbouwen van sterktes levert immers beduidend meer resultaat en levensvreugde op dan het bijspijkeren van ‘zwaktes’.

Wat kan je als ouder en als leerkracht doen om een kind optimale kansen voor talentontwikkeling te geven?

Een KernTalentenanalyse kan pas afgenomen worden vanaf 12 jaar. Maar als ouders en leerkrachten hier enigszins van op de hoogte zijn en kinderen goed gaan observeren, zullen ze gemakkelijker talenten bij hun kinderen herkennen en tot ontplooiing kunnen laten komen. Zo zullen ze ook kunnen helpen een betere studiekeuze te maken. Het risico dat een kind zomaar wat gaat doen omdat een ander zegt dat dit wel een goede keuze voor hem is omdat hij daar toch wel goed in is, wordt dan ook minder.

Je kan best een variatie aan activiteiten, speelgoed en spelletjes aanbieden zodat elk kind minstens iets naar zijn gading kan vinden. Let bv op waar het kind uit zichzelf naartoe gaat als hij mag kiezen (wees dus voorzichtig bij kinderen die zich wat al te gemakkelijk aanpassen aan anderen)? Waar gaan zijn oogjes van blinken, krijgt hij (weer) energie van (zelfs als hij moe is)?

Het is bv belangrijk om te weten dat er veel verschillende vormen van creativiteit kunnen worden onderscheiden:

  • Een kind dat graag speelt met Lego of met ander materiaal ‘iets wil maken’, zal ook als volwassene praktische problemen willen oplossen. Dit verwijst naar een technische, functionele en pragmatische creativiteit.
  • Een kind dat graag tekent en schildert, zal ook later verlangen artistiek en origineel creatief te zijn en zal oog hebben voor vorm, kleur en schoonheid.
  • Een kind dat graag verhalen verzint en wegdroomt, wordt fantasievol, cerebraal creatief genoemd. 

Stel dat een kind 2 à 3 van die creativiteitsdimensies sterk in zich heeft, zal dit bv graag brainstormen, out-of-the-box denken en verbanden leggen tussen verschillende vakken. Als daar in de klas geen ruimte voor is, zal dit snel gedemotiveerd geraken. Des te meer als hij ook nog eens hoog scoort op probleemoplossend denken (dit zal bv graag raadsels oplossen).

De 3de vorm uit zich vaak in wegdromen tijdens de les, waardoor soms ten onrechte aan concentratieproblemen wordt gedacht.  Zo’n kind zal ook extra gevoelig zijn voor sferen bv en af en toe nood hebben aan rust.

Er zijn ook verschillende manieren van sociaal zijn:

  • De ene houdt gewoon van gezellig samenzijn (een spelletje ganzenbord bv mogen spelen als ze flink gewerkt hebben, kan motiveren).
  • De andere vindt het fijn om echt samen te werken in een los verband (zal bv graag naar een jeugdbeweging gaan).
  • Sommigen houden er het meest van om samen te moeten werken in een strikt verband, gestructureerd en doelgericht (zoals in een voetbal- of andere clubsport).

Naar buiten treden:

  • Graag schooltje spelen verwijst naar informatieoverdracht (dit zullen goede lesgevers zijn, graag hun kennis overbrengen).
  • Winkeltje spelen is gelinkt aan een grote overtuigingsbehoefte (‘iets’ verkocht krijgen).
  • Echte showbeesten die anderen willen entertainen, toneelspelers, passen zich gemakkelijk aan aan hun omgeving. Als iemand dit te sterk heeft, wordt het wel opletten dat ze zich niet teveel laten beïnvloeden.

Empathie:

  • Het ene kind zal graag zorg dragen voor en sterk meeleven met anderen (zal vaak met poppen spelen; anderen laten helpen in de klas of voor de kleutertjes zorgen op de speelplaats kan hem echt deugd doen).
  • Het andere is een grote dierenliefhebber en komt daarbij volledig tot rust. Dit kind zal zich automatisch ook sterk inleven in anderen en hen graag plezier doen, waardoor het soms opletten is dat het zijn eigen grenzen leert aangeven.

De KernTalenten voor structuur (spelen met treintjes en poppenhuizen, ze vinden een systeem of tactiek uitdenken fijn) en ordening/organiseren worden in verband gebracht met een voorkeur voor  top-down leren (vanuit een helicopter view; zien graag eerst het totale plaatje) tegenover stapje voor stapje ergens naartoe werken. Dit laatste is de manier waarop leerstof meestal wordt aangebracht op school, waardoor kinderen die een voorkeur hebben voor de eerste leerstijl, vaak moeilijker leren.

Er zijn kinderen die graag van alles lezen (of luisteren naar allerhande verhalen) en dus een eerder brede interesse hebben, en er zijn er die vooral geboeid zijn door specifieke onderwerpen en deze willen uitdiepen (wat bv nodig is in een wetenschappelijke richting).

Kinderen die graag kampen bouwen, nemen graag initiatiefDegenen die echter ook aangetrokken worden tot eerder gevaarlijke risicovolle dingen zijn ondernemers in spe en riskeren vaak bestempeld te worden als ‘stout’ of gedragsgestoord. Het zal zeer belangrijk zijn om deze leerlingen genoeg ruimte te geven en voldoende uitdagingen te bieden. 

Er zijn kinderen waar een competitief element zal helpen (zij spelen bv graag spelletjes waarin ze  zich moeten meten t.a.v. anderen). Bij anderen zal dit net niet stimuleren, maar misschien kunnen zij wel focussen en doorzetten tegenover zichzelf en zullen zij wel hun eigen prestaties willen verbeteren.

Kinderen die graag met soldaatjes spelen of bv Stratego, schaken of Monopoly, oefenen daarmee hun strategisch inzicht, maar vaak vinden zij het heel lastig als zij verliezen.

Kinderen zouden eigenlijk moeten gestimuleerd worden om vooral in te zetten op hun sterke KernTalenten. Deze zijn niet noodzakelijk diegene waar ze al “goed” in zijn (het kan zijn dat ze de competenties/vaardigheden nog niet ontwikkeld hebben, die verwerf je maar door oefening) maar wel die waar ze plezier in hebben, waar ze energie van krijgen. Zo zullen ze ook minder vlug schoolmoe worden.

Kinderen die op school continu bijgewerkt worden voor zwakkere vakken zonder veel aandacht voor hun sterkere (waar ze misschien net wat meer uitdaging in nodig hebben, of zelfs gewoon die waar ze wel plezier aan beleven), evolueren minder snel. Hun energiepotje raakt leeg dan. Pas als ook op hun sterktes ingezet wordt, groeit hun zelfvertrouwen en heeft dit een positief effect op de andere vakken.

Kinderen die moeite hebben met het maken van keuzes, zoals bv als ze meer hobby’s willen doen dan goed voor hen zou zijn, kan je helpen hun grootste interesses te vinden. Rolmodellen zijn daarin belangrijk, bv biografieën van personen die ergens in uitblinken.

Kinderen met een gedreven interesse in slechts één gebied, een buitengewoon talent op één domein, mogen daar gerust in gestimuleerd worden, zodat ze dit zover mogelijk kunnen ontwikkelen. Andere basisvaardigheden die ze daarnaast echter ook moeten ontwikkelen en waarin ze misschien wat achter lopen op andere kinderen, kan je stimuleren door deze zoveel mogelijk te laten aansluiten op hun interessegebieden. Contacten met kinderen met dezelfde interesses (los van leeftijden) zijn zeker ook aan te raden. Laat echter wel genoeg ruimte, want interesses kunnen wel wat verschuiven doorheen de tijd.

Wens je hier meer informatie over, heb je persoonlijke vragen ivm je zoon of dochter of een leerling, wil je begeleiding voor jezelf of een KernTalentenanalyse, neem dan gerust contact op via info@psykits.be.

Literatuur

Krekels, D. (2012). Beken(d) Talent. Ken je KernTalenten en maak de juiste keuzes voor je studie, je werk en je leven. Antwerpen: Standaard Uitgeverij.

Advertenties

Op 14 juni jl. hielden Mieke Buytaert en Ken Vingerhoets een lezing voor diverse huisartsen uit de regio Anzegem, omtrent psychische moeilijkheden als gevolg van de werksituatie. Recente cijfers tonen immers aan dat een kwart van de werknemers  te kampen krijgt met uitputting als gevolg van zijn/haar beroep. Allen werknemers met een burn-out, zegt u? Neen, de helft hiervan heeft te maken met het onbekende broertje van burn-out: zij hebben een bore-out.

Boredom, dus verveling op het werk. Hoe kan dat, in deze druk druk drukke tijden? Wel, daar wringt het schoentje allereerst: het is een heel taboe om toe te geven dat je je verveelt tijdens de werkuren. Drukte op de werkvloer is de norm, vaak wordt het tegendeel hiervan onterecht als luiheid beschouwd. Bovendien is het niet zo evident om het bespreekbaar te maken: wat gaat de baas immers doen met je postje als die weet dat je eigenlijk de hele dag met je vingers zit te draaien? En toch is het fenomeen ‘verveling op het werk’ helemaal niet zo uitzonderlijk: op een gemiddelde werkdag van 8 uur, spenderen we met zijn allen 2 uur aan niet-werkgerelateerde activiteiten.

Burn-out en bore-out lijken naar de buitenwereld toe enorm op elkaar: een compleet gebrek aan energie, een gevoel van hulpeloosheid, een cynische kijk op de wereld. Maar de motieven erachter zijn compleet verschillend: waar iemand met een burn-out te lang teveel inspanningen heeft geleverd (overprikkeling dus), is er bij een bore-out sprake van onderprikkeling. De werknemer wordt onvoldoende uitgedaagd, ofwel door te weinig werk ofwel doordat zijn werk hem geen voldoening verschaft.

Bore-out doet zich niet alleen voor bij volwassenen, maar ook bij kinderen. Denk maar aan hoogbegaafde kinderen die uitgeblust raken doordat de leerstof hem/haar verveelt. Daarom is het belangrijk om voldoende uitdaging te vinden in je studie- en/of beroepskeuze. Op je honger blijven zitten en je grootste KernTalenten niet kwijt kunnen kan rechtstreeks leiden tot een bore-out. Op voorhand zoeken naar wat je echt graag doet en van hieruit je carrièrepad uitstippelen kan je hierbij alleen maar helpen. Met de gedegen KernTalentenAnalyse-methodologie helpen we je bij PsyKiTs graag verder.